|
Kometen
Komeet Hale-Bopp, foto Henk Scholtens
Een bijzonder object aan de sterrenhemel is de verschijning
van een komeet. Zo hebben in de afgelopen decennia de spectaculaire
kometen Halley (1986), Shoemaker-Levy (1994), Hyakutake (1996) en
Hale-Bopp (1997) in het middelpunt van de belangstelling gestaan. De
meeste kometen zijn echter slechts zichtbaar als zwakke nevelachtige
objecten tussen de sterren.
Kometenwolken - Oortwolk

Door de Nederlandse astronoom Jan Hendrik Oort (1900-1992) is rond 1950
een model opgesteld van waar kometen van vandaan komen. Na een analyse
van verschillende kometen die voor de eerste keer ons zonnestelsel
binnendrongen kwam hij tot een verzameling kometen op zeer grote
afstand van de zon (50.000 AE). Deze kometen zijn in een bolschil
verdeeld en men denkt aan een aantal van 100 miljard. Deze verzameling
kometen wordt de 'kometenwolk van Oort' genoemd. Af en toe zal als
gevolg van verstoringen door de massa van ons Melkwegstelsel, of een
dichtbij passerende ster een komeet een zodanige baan krijgen dat hij
terecht komt in de binnengebieden van ons zonnestelsel en zichtbaar
voor ons wordt.
Kometen uit de Oortwolk zijn volledig onvoorspelbaar waardoor er
regelmatig nieuwe kometen worden ontdekt. Vaak gebeurt dit aan de hand
van fotomateriaal van professionele sterrenwachten maar vaak worden
kometen juist ontdekt door amateurastronomen. Sommige amateurs hebben
zich gespecialiseerd in de speurtocht naar nieuwe kometen en hebben
daarbij al meerdere kometen ontdekt. Het betreft hier vaak Japanners en
Amerikanen. Een ontdekker van een nieuwe komeet mag zijn naam verbinden
aan de komeet Als een komeet voor het eerst gezien wordt is het vrijwel
altijd een diffuus object met een magnitude van 10 of zwakker. Hij
onderscheidt zich dan van andere nevelachtige objecten door zijn
beweging langs de sterrenhemel.
Kuipergordel
Met de Oortwolk kan het verschijnen van een komeet met een lange
omloopperiode verklaard worden. Dit is niet het geval voor
kort-periodieke kometen met bijvoorbeeld een omlooptijd van ongeveer 20
jaar. Een opvallende eigenschap van deze kometen is de kleine
baanhelling die zij bezitten. Dit is niet te verklaren met behulp van
de Oortwolk aangezien hierbij de kometen van elke richting kunnen
komen. In 1951 kwam een andere Nederlandse astronoom, Gerard Kuiper
(1905-1973) tot de conclusie dat er een tweede kometenreservoir zich
net buiten de baan van Neptunus moet bevinden. Men noemt deze
verzameling de 'Kuipergordel'. Werd eerst door simulaties en
berekeningen het bestaan van kometenreservoirs aannemelijk gemaakt,
sinds enige jaren is ook door directe waarnemingen de Kuipergordel
definitief aangetoond. In 1992 werd het eerste object buiten de
Neptunusbaan aangetroffen terwijl er in 1996 al ruim 30 bekend zijn.
Mede door de Hubble Space Telescope zijn er vele objecten gevonden in
het gebied van de Kuipergordel.
Samenstelling van een komeet
Wanneer een komeet de zon nadert, wordt hij langzaam verwarmd en
beginnen de vluchtige bestandsdelen te sublimeren (ze gaan hierbij
rechtstreeks van vaste vorm over in gasvorm). Hierdoor ontstaat de coma
van de komeet. Dit gasvormige omhulsel kan zeer grote afmetingen
aannemen tot wel 100.000 km. De coma begint zichtbaar te worden ergens
op een afstand tussen de 450 en 1500 miljoen kilometer van de zon. Dit
is afhankelijk van de samenstelling van de komeet.
Door de zonnewind worden atomen en moleculen in de coma
geïoniseerd en meegesleurd. Er wordt dan vanaf 2A.E. van de zon
(300 miljoen km) een gasstaart ontwikkeld welke vrijwel recht van de
zon af staat. Ook stofdeeltjes kunnen door de stralingsdruk van de zon
uit de coma verwijderd worden en zo een staart vormen. Door hun grotere
massa bewegen zij veel trager dan de atomen en moleculen en vormen ze
een gekromde staart, de stofstaart.
Komeet
Hyakutake, foto Henk Scholtens
Donkere sneeuwbal met fonteinen
Het spectrum van kometen vertoont vrijwel altijd emissielijnen van
neutrale moleculen in de coma, en van ionen in de gasstaart. Bij
kometen die dicht in de buurt van de zon komen, vindt men ook
metaallijnen zoals ijzer, nikkel en chroom. In 1950 ontwikkelde Fred
Whipple een theorie voor de samenstelling van een komeet, de 'vuile
sneeuwbal'-theorie. De komeet zou hierbij ontstaan uit een mengsel van
gruis en diverse soorten ijs (van water, ammoniak, methaan en andere
bevroren gassen). Met dit model konden alle tot dan toe waargenomen
verschijnselen worden verklaard. Sinds de satellietwaarnemingen aan
komeet Halley in 1986 (onder andere de Europese Giotto) weten we dat de
'vuile sneeuwbal'-theorie in principe correct is.
Komeet
Halley, foto Giotto-ruimtevaartuig
Met de Giotto-waarnemingen is ook bekend geworden dat bij een komeet
niet over het gehele oppervlak gassen verdampen en stof wordt
uitgestoten maar dat dit alleen gebeurt in actieve gebieden (fonteinen)
die in het geval van Halley hooguit tien procent van het totale
oppervlak van de komeet beslaan.
Komeet
Hale-Bopp, foto Henk Scholtens
|