|
De Maan
De Maan is het enige hemellichaam waarop we vanaf de Aarde met het
blote oog details kunnen zien. Daarom heeft de maan altijd volop in de
belangstelling gestaan. De Maan is het enige hemellichaam dat door de
mens zelf bezocht is.

Equatoriale diameter: 3476
kilometer (aarde = 12.756 kilometer)
Massa: 0,0123 (aarde = 5.98 x 1024 kg = 1)
Gemiddelde dichtheid: 3,34 (aarde = 5,517)
Zwaartekrachtversnelling: 0,17 (aarde = 1)
Ontsnappingssnelheid: 2,4 km/s (aarde = 11 km/s)
Afstand tot de aarde:
Grootste 406.700 kilometer
Kleinste 356.400 kilometer
Gemiddeld 384.000 kilometer
Omlooptijd: 27,3 dagen
Rotatiesnelheid: 27,3 dagen
Helling van het baanvlak op het eclipticavlak: 5°9
De oorsprong van de Maan
Zelfs in de huidige tijd is niet met absolute zekerheid bekend hoe, en
van waar onze metgezel is begonnen aan zijn rondgang om de aarde,
alhoewel wij een redelijk goed idee ervan hebben, vooral sinds de
Apollo-vluchten bodemmonsters van de maan hebben mee teruggenomen voor
analyse. Er bestaan drie hoofdtheorieën over het ontstaan van de
maan:
1. Splitsingstheorie
2. De brokstuk- of dubbelplaneettheorie
3. De invangtheorie
1. Splitsingstheorie
In 1879 introduceerde de Britse astronoom George Howard Darwin de
splitsingstheorie voor het ontstaan van de maan. Volgens deze theorie
draaide de aarde kort na zijn ontstaan ongelofelijk snel rond -
één omwenteling vergde ongeveer 2 à 3 uur - met
als gevolg dat een deel van het oppervlak werd afgeplat. Zo hevig was
de rotatie dat een gedeelte van de equator losbrak en in de ruimte
belandde, waar het in een vaste baan om de aarde terechtkwam en de maan
werd. Een aantrekkelijke theorie doch jammer genoeg, vrijwel zeker
onjuist. De wetenschap heeft inmiddels kunnen aantonen dat de theorie
niet overeenstemt met de aard van de maanomloop, en dat het
rotsgesteente van de maan chemisch te veel verschilt van aardse
gesteenten, en daarbij vermoedelijk nog eens ouder is.
2. De brokstuk- of
dubbelplaneettheorie
In 1873 stelde Eduard Roche een theorie op voor het ontstaan van de
maan waarbij de maan ontstond in dezelfde tijd als de aarde, uit in de
ruimte rondvliegende brokstukken die zich verdichten tot de maan.
Hoewel nog niet volledig afgedaan, is de theorie sinds de maanmissies
aan grote twijfels onderhevig. Ook nu komt de baan van de maan niet
overeen. Bovendien blijken beide hemellichamen niet dezelfde dichtheid
te bezitten wat, wil de theorie kloppen, wel het geval had moeten zijn.
3. De invangtheorie
In 1919 werd de invangtheorie opgesteld door de Amerikaanse astronoom
Thomas Jefferson Jackson See. De maan ontstond elders in het
zonnestelsel en werd als een bal in een net in het zwaartekrachtveld
van de aarde getrokken. Dit is momenteel de meest geliefde verklaring.
Maar waar kwam de maan vandaan?
De Amerikaanse astronoom Thomas Jefferson Jackson See beweerde dat de
maan niet in het binnenste deel van het zonnestelsel was ontstaan, maar
in het buitenste deel, voorbij de baan van Uranus. Daar op miljarden
kilometers van de zon waren de omstandigheden gunstig voor de vorming
van een lichaam met beduidend geringere dichtheid dan de aarde. Dit
nieuwe object ging om de zon cirkelen, maar terwijl het zich een weg
zocht door gas, stof en ander kosmisch afval waarop het stuitte,
verloor het energie en ging het een steeds kleinere baan beschrijven.
Tenslotte kwam het dicht genoeg in de buurt van de aarde om door de
aardse aantrekkingskracht te worden ingevangen.
De invloed van de maan op aarde
De maan en de aarde werken wederzijds op elkaar in. De maan remt de
aarde af. De waterbewegingen door de getijden, waarvoor voornamelijk de
maan verantwoordelijk is, veroorzaken frictie in de oceaanbekkens.
Hieruit vloeit een vertraging van de aardrotatie voort van 1 seconde
per 50.000 jaar. Daaruit kan de berekening worden gemaakt dat 400
miljoen jaar terug de dagen een lengte van 22 in plaats van 24 uur
hadden. Over 350 miljoen jaar zal de dag 25 uur tellen - een zegen voor
de workaholic! Behalve dat de aarde wordt afgeremd, komen als gevolg
van het beschreven verschijnsel de aarde en de maan steeds verder van
elkaar af te staan. Met een vaartje van ongeveer 3 centimeter per jaar
beweegt de maan zich van de aarde af.
Getijden

Werking doodtij en
springtij
Al sinds de vroege oudheid is het bekend dat de getijden van
de zee en de stand van de maan iets met elkaar te maken hebben. Pas
toen Newton. 1n 1687 zijn theorie van de zwaartekracht bekend maakte,
waren de geleerden in staat het verschijnsel eb en vloed afdoende te
verklaren. Men ontdekte dat de maan en de zon beide een rol spelen in
het veroorzaken van de getijden: de maan neemt ongeveer 70 voor zijn
rekening en de zon zorgt voor 30%.
De getijdenwerking kan het best worden begrepen als men zich de
aarde voorstelt als een bol die met een laag water is bedekt. De
aantrekkingskracht van de maan is het grootst op dat deel van de aarde
dat naar de maan is toegekeerd, waardoor op die plaats een vloedberg
ontstaat. Aan de andere kant van de aarde overheerst daarentegen de
centrifugale kracht van de aardrotatie, zodat daar een secundaire
vloedberg ontstaat. Tijdens de dagelijkse aswenteling van de aarde
lopen de vloedbergen met de maan mee. Het resultaat is eb en vloed om
de 12 uur en 25 minuten (de getijden wisselen niet precies om de 12
uur, omdat de maan zelf ook om de aarde draait).
Ook de zon veroorzaakt twee vloedbergen die in ongeveer 24 uur rond de
aarde lopen. Deze zijn maar half zo hoog als de vloedbergen veroorzaakt
door de maan, omdat de aantrekkingskracht van de zon op die afstand
veel geringer is. Wanneer de zon, de maan en de aarde op
één lijn staan (dat is elke volle en nieuwe maan)
versterken de aantrekkingskrachten van de zon en de maan elkaar en komt
het water hoger dan normaal. We spreken dan van springtij. De invloed
van de zon is het geringst tijdens de eerste en laatste kwartier,
wanneer de maan met de aarde en de zon een recht hoek maakt. In die
toestand werken de maan en de zon elkaar tegen, waardoor het water niet
zo hoog komt. We spreken dan van doodtij
Het maanoppervlak
Het oppervlak van de maan wordt onderverdeeld in twee hoofdgebieden:
hooglanden en laagvlakten.De hooglanden beslaan ongeveer 85% van het
totale oppervlak terwijl de laagvlakten ongeveer 15% beslaan.

Krater Van de Graaff
De vorming van deze twee terreinsoorten heeft rechtstreeks te maken met
de evolutie van de maan. Ongeveer 4.600 miljoen jaar gelden was de maan
een hete, vloeibare bol. Naarmate hij afkoelde, stegen de lichtere
materialen naar het oppervlak, waar ze stolden en een protokorst
vormden. Deze korst kreeg een hevig bombardement van meteorieten en
ander kosmisch gruis te verduren, waardoor de kraters en de andere
oppervlakte-kenmerken van de ruige hooglanden werden gevormd.
Het tijdperk van de (zware)meteorietinslagen eindigde ongeveer 3.900
miljoen jaar geleden en werd gevolgd door een periode van intense
vulkanische activiteit, waaruit de laaglanden ontstonden. Een aantal
vroege meteorietinslagen hadden uitgestrekte bassins gevormd die
volliepen met lava uit de maanvulkanen. De gestolde lava zorgde voor
uitgestrekte uiterst vlakke gebieden - de maria. Aan het eind van de
periode van intense vulkanische activiteit, zo'n 3.200 miljoen jaar
geleden, zag het oppervlak van de maan er al, op de meteorietkraters
na, precies zo uit als nu.
De zwaartekracht
De zwaartekracht is op de maan 1/6 van de zwaartekracht van de aarde.
Wie op de aarde 90 centimeter van de grond weet te komen, haalt op de
maan een hoogte van 5 meter en 40 centimeter. Een gewichtheffer die op
aarde een gewicht van 250 kilogram kan tillen, haalt op de maan een
gewicht van 1.500 kilogram (het gewicht van twee kleine auto's).
Maanreizen
De twee supermachten Amerika en Rusland hadden beiden ruimtevaart
projecten ontwikkeld voor de bestudering van de maan. Deze werden
onafhankelijk van elkaar uitgevoerd en hebben elk verschillende
waardevolle gegevens betreffende de maan opgeleverd.
Het Russische programma
Het Russische programma omvatte drie generaties van de Luna-serie. De
maansondes van de eerste generatie vlogen langs de maan (Luna 1, 1959),
sloegen voor het eerst op de maan in (Luna 2, 1959), en fotografeerden
voor het eerste de van de aarde afgewende achterkant van de maan. De
maansondes van de tweede generatie (de Luna 5 tot en met 14, 1965-1968)
maakten na enkele pogingen de eerste zachte landing op de maan (Luna 9,
1966). Een bijzondere plaats in het Russische ruimtevaartprogramma
namen de maansondes in, die om de maan draaiden, foto's en metingen in
de buurt van de maan maakten en als het programma dat voorzag, ook weer
naar de aarde terugkeerden (sonde 3, 1965; sonde 5 tot en met 8
1968-1970). De ruimtevaartuigen van de derde generatie begonnen hun
werk na het uitproberen van de Luna 15 in 1969. Men bouwde een
ruimteschip dat voor meer doeleinden tegelijk geschikt was en dat met
behulp van een vierpotig landingsgestel een zachte landing op de maan
kon maken. Via deze ruimteschepen konden verschillende apparaten om
maanmonsters te nemen, die mee teruggenomen werden naar de aarde (Luna
17 en Lunochod 1, 1970 en Luna 21 met Lunochod 2, 1973)
Het Amerikaanse programma
Het ruimteprogramma van de Amerikanen begon met een serie pogingen, met
maansondes van het type Ranger, die een harde landing maakten op van te
voren uitgezochte plaatsen en vanaf de aarde bestuurbaar waren. Nadat
de vluchten met de Ranger 1 (1961) tot en met Ranger 6 (1964) niet het
gewenste resultaat behaalden, lukte het de Ranger 7 en nog twee
volgende maansondes (1964-1965) om het hele programma af te maken. Zes
camera's fotografeerden vlak voor de landing de maan. Deze beelden
werden direct naar de aarde doorgeseind. In de jaren 1966-1968 waren
twee programma's gepland, die de mogelijkheid onderzochten voor een
landing met astronauten. De zacht landende maansondes Surveyors zorgden
voor het directe maanonderzoek. De kunstmanen
Lunar Orbiter zorgden voor de cartografie van de maan. De uitrusting
van de Surveyors bestond uit één van de aarde af
bestuurbare televisiecamera, een mechanische schoffel (Surveyor 3 en 7)
en een chemisch analyse-apparaat (Surveyor 5, 6 en 7). De vijf
succesvolle maansondes van het type Surveyor seinden 87674 foto's naar
de aarde terug. Hoofdopgave van de vijf maansatellieten van het type
Lunar Orbiter was het fotograferen van de plaatsen, die voor een
landing van de Apollo uitgezocht waren.
Apollo
17 missie:
Het verzamelen van maanstenen
Het hoogtepunt van het Amerikaanse programma bestond uit een
serie bemande vluchten naar de maan, binnen het kader van het
Apollo-programma. De inleiding hiervoor waren de vluchten van de Apollo
8 (21 - 27 december 1967) en Apollo 10 (20 - 26 mei 1969) in een baan
rond de maan. Daarop volgden de eerste landing van de mens op de maan,
Apollo 11 (20 juli 1969) en nog vijf verdere expedities, Apollo 12, 14,
15 16 en 17 in de jaren 1969 - 1972. De nadruk lag hierbij op de
geologische verkenning, de opname van steenmonsters, de fotografische
documentatie en de installatie van automatische geofysische stations op
de maan.
Schijngestalten
De maan straalt geen licht van zichzelf uit; al het maanlicht dat wij
zien is weerkaatst zonlicht. De helft van de maan is altijd verlicht.
Toch verschilt de verlichte helft die wij vanaf de aarde kunnen
waarnemen van dag tot dag. Tussen de ene nieuwe maan en de volgende
zitten 29 dagen, 12 uur, 44 minuten en 3 seconden. De groter wordende
maan wordt wassend, de langzaam verdwijnende maan afnemend genoemd

De schijnbare veranderingen in de vorm van de maan zijn het
resultaat van haar veranderde positie ten opzicht van de aarde, en van
beider positie ten opzichte van de onveranderlijke zon. Staat de maan
tussen de aarde en de zon, dan is haar verre zijde verlicht en zien wij
hooguit vlak na zonsondergang een klein sikkeltje (nieuwe maan). Een
week later, als de maan tot een kwart van haar baan rond de aarde
gevorderd is, verlicht de zon de helft van het duistere halfrond en de
helft van het naar de aarde gekeerde halfrond. De rechter maanhelft is
zichtbaar aan de hemel. Na weer een week is het volle maan. Doordat de
maan nu praktisch recht tegenover de zon staat, valt ze in het volle
licht.
Verduisteringen
Verduisteringen kunnen we onderscheiden in maansverduisteringen en
zonsverduisteringen.
Verduisteringen worden veroorzaakt door samenspel tussen de zon, de
maan en de aarde. Zonsverduisteringen ontstaan bij nieuwe maan en
maansverduisteringen ontstaan bij volle maan. Echter niet elke veertien
dagen (tijd tussen volle maan en nieuwe maan) is er een verduistering.
Dit komt doordat er nog aan een voorwaarde moet worden voldaan.
Die voorwaarde is:
De maan moet zich in de aardbaan bevinden (de ecliptica) en wel in de
onmiddellijke nabijheid van de zogenaamde klimmende of dalende knoop.
Dit zijn de snijpunten van de banen van de aarde en de maan.
De
ecliptica en de maanbaan
Maansverduisteringen
Als het volle maan is, staat de aarde tussen de maan en de
zon. Als de aarde-zon-maan precies op een lijn staan, vindt er een
verduistering plaats. De maan verdwijnt dan in de schaduw van de aarde.
We kunnen maansverduisteringen onderscheiden in een gedeeltelijke en in
een volledige verduistering.
Het begin van een verduistering is de eerste aanraking van de maan met
de aardschaduw (bijschaduw). Deze is nauwelijks waarneembaar.
Vervolgens zal de maan in aanraking komen met de kernschaduw. Waarna
hij steeds verder verduisterd wordt. De totale verduistering duurt
ongeveer een uur waarna de maan weer langzaam uit de kernschaduw te
voorschijn komt. De verduistering is ten einde als de maan ook weer uit
de bijschaduw is. De totale verduistering duurt ongeveer drie uur en is
zichtbaar overal waar de maan te zien is.
Tijdens een totale maansverduistering is de maan nog helmaal te zien.
Dat komt doordat het zonlicht in de aardatmosfeer afgebogen wordt.
Blauw licht wordt in de atmosfeer verstrooid, terwijl rood licht wordt
doorgelaten. Hierdoor is de kleur van de maan tijdens de totaliteit
meestal roodachtig. De helderheid en de kleur van de maan wisselt van
verduistering tot verduistering. Dit komt onder andere door de
vervuiling van de aardatmosfeer door bijvoorbeeld vulkaanuitbarstingen
Een
maansverduistering
Foto: Henk Scholtens
|